Hermans & Partners, accountants en adviseurs, informeert u graag over het volgende:

Belastingdienst op de vingers getikt met betrekking tot de werkkostenregeling (WKR). Maar schiet de praktijk hier daadwerkelijk iets mee op? In een onlangs gewezen arrest over de gebruikelijkheidstoets van de werkkostenregeling tikt de Hoge Raad de Belastingdienst op de vingers.

Wat is de werkkostenregeling?
De werkkostenregeling bundelt alle regels en wetten rondom de vergoedingen en verstrekkingen van werkgevers aan werknemers. Volgens de huidige regeling (2019) mogen werkgevers 1,2% van hun totale fiscale loonsom aan vergoedingen en verstrekkingen voor werknemers aanwijzen zonder dat loonheffing is verschuldigd. Voor zover deze vrije ruimte wordt overschreden is sprake van eindheffing. Het voorstel is om in 2020 het percentage te verhogen naar 1,7% over de eerste €400.000.

Gebruikelijkheidstoets
Voor de toepassing van de werkkostenregeling moet er worden voldaan aan de gebruikelijkheidstoets. Deze toets houdt in dat de vergoeding of verstrekking niet meer dan 30% mag afwijken van hetgeen gebruikelijk is.

Doelmatigheidstoets
Naast de gebruikelijkheidstoets kent de werkkostenregeling ook een doelmatigheidstoets. Deze toets is een praktische invulling en houdt in dat de verstrekkingen of vergoedingen jaarlijks tot een bedrag van €2.400 per werknemer niet als ongebruikelijk mogen worden aangemerkt.

Inhoud van de zaak
Het arrest draait om een belanghebbende die om niet aandelen heeft verstrekt aan managers van groepsvennootschappen. Vervolgens zijn deze aandelen aangewezen als eindheffingsbestanddeel in de zin van de werkkostenregeling. De inspecteur is van mening dat deze aandelen niet onder de werkkostenregeling vallen, aangezien niet wordt voldaan aan de gebruikelijkheidstoets. De om niet verstrekte aandelen vallen volgens de inspecteur onder ‘gewoon’ loon en de werkkostenregeling kan dan ook niet van toepassing zijn. Daarnaast wordt ook nog eens de doelmatigheidstoets overschreden. Het Hof van Amsterdam is het eens met de inspecteur en belanghebbende gaat in cassatie.

Arrest Hoge Raad
De Hoge Raad is het niet eens met de inspecteur. De inspecteur moet namelijk aantonen dat het aanwijzen van een verstrekking of vergoeding als eindheffingsbestanddeel ongebruikelijk is. Dit kan de inspecteur niet doen door alleen te wijzen naar het loonkarakter van de vergoedingen en dit te combineren met de doelmatigheidstoets van €2.400 per werknemer per jaar. De werkkostenregeling verbiedt namelijk niet om verschillende vergoedingen en verstrekkingen aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel, maar door de invulling van de gebruikelijkheidstoets door de Belastingdienst op deze manier zorgt dit wel voor een beperking van de regeling. Het is dan ook terecht dat de Hoge Raad de inspecteur hier op de vingers tikt.

De Hoge Raad heeft dan ook handvatten gegeven voor de invulling van de gebruikelijkheidstoets. De inspecteur mag aan de hand van drie aanknopingspunten beoordelen of iets gebruikelijk is, namelijk (1) een vergelijking met andere werknemers van de werkgever, (2) een vergelijking met werknemers met dezelfde functie en (3) een vergelijking met werknemers van een andere vergelijkbare werkgever in dezelfde sector.

Invloed op de praktijk
Na deze uitspraak van de Hoge Raad zijn twee dingen duidelijk geworden: (1) werkgevers hebben de mogelijkheid alles aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel en worden niet beperkt door de aard van het loonbestanddeel, mits het eindheffingsbestanddeel niet ongebruikelijk is en (2) de inspecteur moet de ongebruikelijkheid van de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel onderbouwen met feiten en omstandigheden. De inspecteur kan dus niet meer alleen verwijzen naar de aard van het loonbestanddeel en de doelmatigheidstoets. Hierdoor zou het voor werkgevers makkelijker moeten zijn om vergoedingen of verstrekkingen binnen de vrije ruimte uit te keren.

Het is afwachten of de inspecteur met een algemeen begrip van ‘ongebruikelijkheid’ weg komt en de bal alsnog bij de werkgever ligt.

Terug naar overzicht